Door elkaar het jawoord te geven wordt er een ‘lotsverbondenheid’ geschapen die door een echtscheiding niet zomaar verbroken wordt. Die lotsverbondenheid vormt als het ware de grondslag voor de uitkering van levensonderhoud, ofwel ‘partneralimentatie’.

Als u ná 15 januari 2001 in het huwelijksbootje bent gestapt, is de rechter in geval van echtscheiding bevoegd om op (uw) verzoek partneralimentatie toe te kennen onder vaststelling van voorwaarden en van een termijn van maximaal twaalf jaar. Staart u zich nou niet blind op termijn van twaalf jaar want partneralimentatie is in ieder opzicht juridisch maatwerk.

Ik maak in dit artikel even voor het gemak een onderscheid tussen huwelijken die vóór 15 januari 2001 zijn gesloten en huwelijken die gesloten zijn ná 15 januari 2001. Dat is namelijk de datum waarop het nieuw Burgerlijk Wetboek, waaronder ook het nieuwe boek 1 BW, in de voormalige Nederlandse Antillen (toen nog omvattende het huidige Curaçao) in werking trad.

In de gevallen waarin het huwelijk ná 15 januari 2001 gesloten is, de echtelijke verbintenis niet langer dan vijf jaar geduurd heeft én er geen kinderen zijn geboren, eindigt de verplichting tot betaling van een uitkering tot levensonderhoud (partneralimentatie) van rechtswege na het verstrijken van een termijn die gelijk is aan de duur van het huwelijk. Stel dat u op 1 april 2021 gehuwd bent, er geen kinderen geboren zijn én de echtscheiding bijvoorbeeld op 1 juni 2025 bij Kranshi wordt ingeschreven, dan vervalt de verplichting tot het betaling van de door de rechter toegewezen partneralimentatie van rechtswege na afloop van vier jaar en twee maanden.

Deze verplichting tot betaling van partneralimentatie begint te lopen op het moment dat de echtscheiding bij Kranshi, dus de registers van de burgerlijke stand, is ingeschreven. Als iets ‘van rechtswege’ gebeurt, dan is dat een gevolg dat automatisch intreedt op basis van de wet (of een overeenkomst) zonder dat daar een vonnis voor nodig is.

Over de financiële zorgplicht die na de echtscheiding nog een zekere periode blijft hangen, dus de duur van de partneralimentatieplicht, heb ik de afgelopen jaren zowel in eerste aanleg als in hoger beroep meerdere procedures gevoerd.

Als géén der partijen aan de rechter vraagt om aan de verplichting tot betaling van een onderhoudsbijdrage (partneralimentatie) een termijn te verbinden én het huwelijk lánger dan vijf jaar stand hield, mag de rechter niet zomaar en ongevraagd tot de vaststelling van een termijn (gedurende waarin partneralimentatie betaald moet worden) overgaan. De Hoge Raad heeft het Hof daarover een aantal jaar geleden op de vingers getikt, en in cassatie werd geoordeeld dat de beslissing van het Hof, om de door de man aan mijn cliënte te betalen bijdrage in het levensonderhoud ongevraagd in tijd te beperken tot vijf jaar, in strijd met de wet is omdat géén der partijen had verzocht om vaststelling of limitering van de termijn waarop de verplichting tot betaling van partneralimentatie zou eindigen.

De duur van de verplichting tot betaling van partneralimentatie is bij een kort en kinderloos huwelijk maximaal vijf jaar en in de overige gevallen maximaal twaalf jaar. De jurisprudentie wijst echter uit dat de rechter ook een kortere duur kan vaststellen. Ik sluit dus niet uit dat een rechter onder bepaalde omstandigheden tot de conclusie komt dat er voldoende aanleiding is om de duur van de alimentatieverplichting verder te beperken dan de termijn die voortvloeit uit de wet. Zo kan het zijn dat het Gerecht het redelijk acht dat een der partijen na één jaar op passende wijze in diens levensonderhoud kan voorzien.

Stel dat u, nádat de door de rechter gestelde termijn is verstreken, tot overmaat van ramp nog stééds behoeftig bent, dan kan de rechter op uw verzoek alsnog een (aanvullende) termijn vaststellen gedurende waarin uw ex-echtgeno(o)t(e) tot de uitkering tot levensonderhoud (betaling partneralimentatie aan u) verplicht is. Dat kan echter alleen als ongewijzigde handhaving van die eerste termijn onredelijk is jegens u (degene die tot uitkering gerechtigd is).

Let op, u moet een dergelijk verzoek wel binnen drie maanden ná het einde van de door de rechter vastgestelde termijn bij het Gerecht indienen en het is natuurlijk verstandig om met schriftelijke stukken de stelling, dat u ondanks het verstrijken van de termijn (van maximaal twaalf jaar) nog steeds behoeftig bent, te onderbouwen. Er is overigens sprake van ‘behoeftigheid’ als u niet voldoende inkomsten tot uw levensonderhoud heeft, noch in redelijkheid kan verwerven.

Als u vóór 15 januari 2001 in de echt verbonden bent – datum van inwerkingtreding van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek – gelden de hierboven genoemde wettelijke termijnen van maximaal twaalf jaar niet. Op grond van het ‘oude’ recht gold géén termijn waarna de alimentatieplicht eindigde. Kans is groot dat u, in geval van echtscheiding, een beschikking ontvangt waarin er géén termijn aan de eventuele verplichting tot het betalen van partneralimentatie verbonden is. Pas als er sprake is van een wijziging van omstandigheden kan de meest gerede partij in die gevallen een verzoek indienen tot wijziging van de vastgestelde partneralimentatie.

De alimentatieplicht eindigt bijvoorbeeld ook als degene die recht heeft op partneralimentatie hertrouwt of met een ander gaat samenleven als ware zij gehuwd. Op hetzelfde adres ingeschreven staan betekent trouwens niet automatisch ‘samenwonen’ in de zin van de wet. Daarvoor is meer nodig, zoals een affectieve duurzame relatie waarin een gemeenschappelijke huishouding gevoerd wordt en de partners elkaar wederzijds verzorgen.

Kortom, partneralimentatie is zelden romantisch, vaak complex en roept regelmatig vragen op over rechten, plichten en vooral over wat ‘redelijk’ eigenlijk betekent. Heeft u behoefte aan duidelijkheid of wilt u weten of uw situatie juridisch klopt? U hoeft het niet alleen uit te zoeken, ik help u graag, zónder wollig gedoe. Stuur gerust een bericht naar info@true-lawyers.com voor meer informatie over dit onderwerp.