In familiezaken raakt de juridische strijd vaak verweven met emoties. Partnerrelaties, ouderschap, kinderen en familiebanden staan op het spel en procedures bij de rechter betekenen dat een ander – de rechter – een beslissing neemt over het leven en gezin van partijen. Dat kan de gevoelens van onmacht versterken. Soms begint er iemand te huilen tijdens het vertellen van hun verhaal of wanneer de ander iets zegt wat hen diep raakt. Sommigen verheffen hun stem, rollen met hun ogen, zuchten of slaan de armen over elkaar heen. In tegenstelling tot commerciële geschillen zijn er in het familierecht vaak geen echte winnaars. Zelfs een ‘formeel’ gewonnen zaak kan verlies betekenen in emotionele of relationele zin. De rechter mag zich niet laten meeslepen door persoonlijke verhalen, maar moet uiteindelijk een beslissing maken die juridisch goed onderbouwd is.


Steeds vaker proberen partijen hun gelijk te halen met screenshots van WhatsApp-gesprekken, voicenotes, e-mails of berichtgeving op sociale media. Hoewel digitale communicatie vrij gemakkelijk uit hun verband te trekken valt, merk ik in de praktijk dat juist die appjes en mailtjes vaak doorslaggevend zijn bij ruzies over alimentatie, omgangsregelingen, gezag en afspraken tussen ex-partners. In personen- en familierechtszaken geldt vrije bewijswaardering, de rechter bepaalt hoe zwaar hij/zij een stuk laat wegen. In gewone civiele zaken geldt het strikte bewijsrecht, misschien wel bekend onder het adagium: ‘wie stelt, moet bewijzen’. Er bestaan vaste regels over de kracht van bewijs. Zo levert een notariële akte vrijwel automatisch dwingend bewijs op van wat erin staat. Een schriftelijk stuk dat partijen zelf hebben opgemaakt, zoals een huur- of arbeidsovereenkomst, kan ook als bewijs dienen, maar de inhoud van een onderhandse akte kan door de wederpartij worden betwist.


Notariële en onderhandse aktes staan in schril contrast met online berichtenverkeer. Juridisch gezien is zo’n appje of screenshot geen akte, maar in de praktijk van het familierecht kan het wél een belangrijk bewijsstuk zijn. Digitaal bewijs is niet meer weg te denken, maar er blijft een groot verschil tussen wat netjes (ondertekend) op papier staat en wat iemand via een appje zegt. Het bijzondere is dus dat de rechter zelf bepaalt hoeveel gewicht hij hecht aan zo’n screenshot of voicenote: het kan doorslaggevend zijn, maar net zo goed volledig terzijde worden geschoven.


Dat overkwam mij eens toen mijn cliënt mij voorzag van enkele uren aan voicenotes, vol relevante gesprekken en details. Na het beluisteren ervan was ik er vrijwel zeker van dat de zaak – een verzoek tot eenhoofdig gezag en vervangende toestemming om naar het buitenland te verhuizen – succesvol zou zijn. Vol vertrouwen zette ik de USB-stick bij het verzoekschrift. Tot mijn grote verrassing liet de rechter later weten dat de inhoud van de USB-stick niet beluisterd zou worden en dat beeld- of audiomateriaal op schrift moest worden gesteld. Ik heb toen alle gesprekken uitgeschreven, wat een enorme klus was. Het is ook belangrijk om in het personen- en familierecht naast online berichtgeving, zo veel mogelijk ander bewijs aan te dragen: verklaringen van vrienden of familie, een kopie van een ondertekend ouderschapsplan, foto’s en belangrijke overwegingen uit het eventueel uitgebrachte advies van UOJZ (Uitvoeringsorganisatie Justitiële Zorg, voorheen de Voogdijraad) kunnen vaak doorslaggevend zijn. Hoe completer het bewijsplaatje, hoe beter de rechter de belangen van alle betrokkenen kan afwegen.


Wat ik daarnaast nog vaak zie is dat mensen in WhatsApp-gesprekken hun frustratie of boosheid de vrije loop laten gaan terwijl men eigenlijk maar niet voorzichtig genoeg kan zijn met wat er via WhatsApp of andere berichtenapps naar de ‘ex’ verstuurd wordt. Het probleem is dat zo’n digitale uiting later tegen u kan worden gebruikt in een procedure. De rol van digitale berichtgeving als bewijs in familiezaken neemt dus steeds verder toe.


In het familierecht zie ik ook steeds vaker dat er WhatsApp-groepen worden opgericht die bedoeld zijn voor communicatie tussen ouders onderling met daarbij een medewerker van UOJZ. Het (tijdelijk) gebruik van dergelijke WhatsApp-groepen kan voordelen bieden in gevallen waarin (narcistische) ouders weten dat een professional meeleest. Zij letten daardoor in veel gevallen beter op hun woorden en toon. Boze en beschuldigende uitingen komen in die WhatsApp-groepen minder snel voor. Omdat (beide) ouders zich bewust zijn van het feit dat hun berichten worden gezien door UOJZ, worden conflictveroorzakende of emotionele uitingen vaker beperkt. De medewerker van UOJZ kan de ouders actief sturen, verduidelijking geven of bijvoorbeeld corrigeren waardoor de communicatie in vele gevallen constructiever verloopt. De medewerker van UOJZ brengt later verslag of advies uit aan de rechter over een omgangsregeling of gezag waardoor ouders eerder geneigd zijn om zich diplomatiek op te stellen. Wat ik ook vaak zie is dat die WhatsApp-groepen niet alleen leiden tot snellere afspraken, maar ook tot minder strijd. In het familierecht geldt dus steeds meer: digitaal bewijs en digitale berichtgeving kunnen een wapen zijn, maar ook een hulpmiddel.